Een kompas gebruiken is een vaardigheid die je in een middag leert en de rest van je leven houdt. Een telefoon of wandel-GPS is handig, maar een accu kan leeg raken en een scherm kan kapotgaan. Een kompas werkt altijd. In dit artikel leer je hoe een kompas in elkaar zit, hoe je met kaart en kompas een koers bepaalt en hoe je die koers in het terrein volgt.
In het kort
- Een plaatkompas met draaibare kompasroos is het handigst om mee te leren.
- De basis: kaart noorden, koers uitzetten op de kaart en die koers in het terrein lopen.
- In Nederland is het verschil tussen magnetisch en geografisch noorden klein, ongeveer 3 graden oost.
- Houd je kompas uit de buurt van metaal, magneten en je telefoon.
Hoe werkt een kompas?
De naald van een kompas is een kleine magneet. Die richt zich naar het magnetische veld van de aarde en wijst daardoor naar het magnetische noorden. Dat ligt niet precies op de geografische noordpool, maar in Nederland is het verschil klein.
De noordkant van de naald is meestal rood of lichtgevend. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar het is de eerste fout die beginners maken: ze lezen de verkeerde kant van de naald af.
Welk kompas kies je?
Plaatkompas
Een plaatkompas heeft een doorzichtige plaat met een richtingspijl en meetlatjes, en een draaibaar huis met een gradenverdeling van 0 tot 360. Dit type is het makkelijkst om mee te leren en werkt goed samen met een wandelkaart.
Let bij aanschaf op een plaat met een duidelijke schaalverdeling, een huis dat soepel draait maar niet vanzelf verschuift, en een naald die snel tot rust komt. Een koord om je pols of nek voorkomt dat je het kompas verliest als je even de kaart bekijkt.
Spiegelkompas
Een spiegelkompas heeft een klepje met een spiegel en een vizier. Je kunt het kompas op ooghoogte houden en tegelijk de naald zien. Daardoor kun je nauwkeuriger richten, wat handig is in open terrein of bergen.
Elektronisch kompas
Veel telefoons, GPS-horloges en wandel-GPS-apparaten hebben een elektronisch kompas. Dat is handig, maar heeft stroom nodig en moet je geregeld kalibreren. Het is een aanvulling, geen vervanging.
De onderdelen van een plaatkompas
- Richtingspijl: de pijl op de plaat die wijst waar je heen loopt.
- Kompashuis: de draaibare ring met graden en de letters N, O, Z en W.
- Oriënteringspijl: de omtrek van een pijl op de bodem van het huis, ook wel de schuur genoemd.
- Oriënteringslijnen: evenwijdige lijnen in het huis die je gelijk legt met de noord-zuidlijnen van de kaart.
- Magneetnaald: de naald die in vloeistof drijft, met een rode noordkant.

Kompas gebruiken met een kaart: stap voor stap
Met deze vijf stappen loop je van een punt op de kaart naar een ander punt, ook als je dat doel niet kunt zien.
- Leg het kompas op de kaart. Leg de lange zijkant van de plaat langs een lijn van je huidige positie naar je doel. De richtingspijl wijst naar het doel.
- Draai het kompashuis. Draai tot de oriënteringslijnen evenwijdig liggen aan de noord-zuidlijnen van de kaart, met de N naar de bovenkant van de kaart. De naald maakt in deze stap niet uit.
- Lees de koers af. Bij de streep onderaan de richtingspijl lees je het aantal graden. Dat is je koers.
- Neem de kaart van het kompas. Houd het kompas plat voor je borst, met de richtingspijl van je af.
- Draai jezelf. Draai met je hele lichaam tot de rode kant van de naald precies in de schuur staat. De richtingspijl wijst nu naar je doel.
Kijk vervolgens niet steeds naar het kompas. Zoek in de richting van de pijl een herkenbaar punt, zoals een boom, paal of rotsblok, en loop daarheen. Daar herhaal je het richten. Zo loop je rechter dan wanneer je met je ogen op de naald loopt.
Tip: wil je terug naar je beginpunt, draai jezelf dan tot de witte kant van de naald in de schuur staat. Je loopt dan precies de tegenovergestelde koers.
De kaart noorden zonder koers te bepalen
Vaak wil je alleen weten welke kant je op moet bij een kruising. Dan is het genoeg om de kaart te noorden: de kaart zo te draaien dat noord op de kaart ook echt naar het noorden wijst.
Leg het kompas op de kaart, zet het huis op N en leg de zijkant langs een noord-zuidlijn van de kaart. Draai daarna de kaart met kompas en al tot de naald in de schuur staat. Nu komen paden, sloten en bosranden op de kaart overeen met wat je om je heen ziet.
Declinatie: magnetisch en geografisch noorden
Het verschil tussen het magnetische en het geografische noorden heet declinatie. Volgens de geomagnetische modellen ligt die in Nederland rond de 3 graden oost, met kleine verschillen tussen het westen en het oosten van het land. De waarde verandert langzaam, elk jaar een klein beetje.
Op een wandeling van een paar kilometer maakt 3 graden weinig uit: na een kilometer zit je er ongeveer 50 meter naast. Wil je het precies doen, trek de declinatie dan af van de koers die je op de kaart hebt afgelezen. In Scandinavië, Schotland of de Alpen kan de declinatie anders zijn, dus kijk in de legenda van je kaart.
Let op: metaal en magneten verstoren de naald. Houd je kompas uit de buurt van je telefoon, een stalen hek, een auto, een hoogspanningsmast en de magneetsluiting van je rugzak of jas.
Technieken om je doel echt te vinden
Lijnobjecten gebruiken
Een sloot, bosrand, beek of weg is een lijnobject. Loop je op koers naar zo’n lijn, dan weet je zeker dat je hem tegenkomt. Volg daarna de lijn naar je doel.
Bewust afwijken
Ligt je doel aan een pad of beek, mik dan bewust een paar graden naast het doel. Kom je bij de lijn uit, dan weet je meteen welke kant je op moet. Mik je precies op het doel, dan weet je bij een kleine fout niet of je links of rechts moet zoeken.
Afstand schatten
Tel je dubbele passen op een bekende afstand van 100 meter. Zo weet je onderweg hoe ver je ongeveer bent gekomen. Op de kaart meet je de afstand met de liniaal op de plaat en de schaal van de kaart.
Kompas gebruiken zonder kaart
Ook zonder kaart heeft een kompas nut. Voordat je een bos in loopt, kijk je welke kant de parkeerplaats ligt, bijvoorbeeld in het zuiden. Raak je de weg kwijt, dan loop je op koers naar het zuiden tot je bij een bekend punt komt.
Je kunt ook een koers op een zichtbaar punt nemen: richt de richtingspijl op een kerktoren of heuvel, draai het huis tot de naald in de schuur staat en lees de graden af. Raakt het punt uit het zicht door bos of mist, dan loop je gewoon op die koers verder.
Kompas en GPS samen
De beste combinatie is GPS en kompas samen. Een wandel-GPS of app vertelt waar je bent, het kompas laat in elke situatie zien welke kant je op gaat. Plan je route bijvoorbeeld vooraf in Komoot en neem een papieren kaart en kompas mee als reserve.
Wil je begrijpen waarom je telefoon soms een verkeerde positie geeft, lees dan hoe GPS werkt. Wie beide kent, raakt in het bos of de bergen niet snel de weg kwijt.
Veelgestelde vragen over kompas gebruiken
Voor een snelle richting is dat prima. Kalibreer het kompas wel eerst door de telefoon in de lucht een paar keer een acht te laten draaien. Houd de telefoon ook weg van magneten, zoals die in sommige hoesjes zitten.
Leg het op een vlakke plek zonder metaal en vergelijk het met een tweede kompas of een bekende richting op de kaart. Zit er een grote luchtbel in de vloeistof of blijft de naald haken, dan is het tijd voor een nieuwe.
Een gewoon kompas is afgesteld op een bepaald deel van de wereld, omdat het magnetische veld onder een andere hoek loopt. Op het zuidelijk halfrond kan zo’n naald gaan schuren. Voor verre reizen bestaan kompassen met een wereldnaald.
Meestal is er metaal of een magneet in de buurt, of houd je het kompas niet plat. Ook ijzerhoudend gesteente kan op sommige plekken de naald beïnvloeden. Stap een paar meter opzij en controleer het opnieuw.



